maandag 4 april 2011

Nummer 3

Ach. Pijn. ’t Is vijf uur. Ben wel wakker. Of wat je wakker kan noemen om dit uur. Weet niet goed wat te doen, of liever: wat eerst te doen. Kleren aandoen, rugzakken klaarmaken, voldoende eten en drinken meegraaien en de fiets niet vergeten. Of andersom? Met half open ogen red ik het gelukkig wel. We zijn niet op tijd, maar we zijn wel goed vertrokken.

’t Is vandaag de mooiste dag van het jaar. De Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen. Hier geniet ik van. Niet van begin, wel meer naar het einde toe. Die eerste honderd kilometer kunnen lang duren. Nee, ik kan het mij niet laten. Wis die nummer twee maar uit, een drie staat zoveel mooier. Maar dan moet ik wel eerst die 260 kilometer opnieuw halen.

De Ronde is twee weken eerder begonnen. Bloedcontrole. Was niet zo best. Door een te lage waarde van mijn hematocriet kan het straks snel gedaan zijn. Gewoon moe. De laatste voorbereiding op mijn Ronde was dus verre van ideaal. Ik hoop niet meer op een superdag zoals die van twee jaar geleden. Of toch wel. Maar de realiteit steekt er wel een stok voor.

Papa en Nikki zullen me weer helpen. Me voorzien van genoeg eten en drinken en dergelijke. Foto’s maken, eventuele materiaalpech verhelpen. Een etappe van 260 kilometer kan lang duren wanneer er geen bekenden in de buurt zijn. Maar daar maak ik me nu dus geen zorgen om. En mama zal straks samen met Nele ook enkele passages meepikken.

Het was aanvankelijk het idee om samen met Dries van start te gaan in Brugge. Maar door te laat te vertrekken komt er daar niks van in huis. ‘Wacht maar niet op mij. Ik zie je wel in Meerbeke’, stuur ik hem nog. Hij werkt aan zijn nummer één en is net zoals ik dat toen was enorm onzeker.

VALSE START

Bij de aankomst in Brugge gaat het meteen richting de start. Helaas met een spaak te kort. Gebroken. Verdomme. Een tweede vloek volgt na het aansluiten bij het pak, waar ik wacht om het startpodium te passeren. Daar begint mijn Ronde. Maar ik verlies snel een kwartier om uiteindelijk enkel een peperkoek mee te krijgen. Toch wel een valse start genomen.

7.45u. Ik ben vertrokken en laat Brugge achter mij. Het duurt niet lang voor aleer ik een groep van een man of 100 voor mij zie uitrijden. Ik aarzel niet en probeer de kloof zo snel mogelijk te dichten. Kwestie om de kaap van de 100 kilometer tegenwind te overbruggen door zo weinig mogelijk energie te verspillen. Maar ik zou er snel spijt van krijgen.

Bij elke tien meter is het remmen geblazen, soms tot de verrassing toe. En wanneer de groep dan ook nog eens een ommetje maakt van om en bij de 27 kilometer, voel ik mij dik in het zak gezet. Nee, eigenlijk had ik geen flauw benul van de omweg. Al had ik al een naar gevoel toen we ergens in de buurt van Oostkamp de vierde afslag namen bij een rond punt.

Mijn vermoeden wordt steeds sterker. De eerste bevoorrading na 54 kilometer laat verdomd lang op zich wachten. En er staat inmiddels al 75 kilometer op de teller. Ik zit zonder water, zonder eten en heb het door de snel opkomende zon al heel warm. De shirts gaan open, het verlangen naar een druppel water is groot. Maar de ploegleider zit een eind verderop.

Na goed 80 kilometer bereik ik toch de eerste bevoorrading. Ik geef de controlekaart af, graai een suikerwafel of twee mee en zie een eind verderop voor het eerst de gele Kangoo. De ballast sneuvelt. De voetstukken gaan uit, de dikke jas gaat eveneens overboord. Een nieuwe bidon, en een boodschap: ga alstublieft niet te ver weg.

De groep die me een minder humeur bezorgde laat ik achter bij de bevoorrading. Ik sta er na in principe 54 kilometer alleen voor. Ik wandel van groep naar groep en probeer zo min mogelijk wind te vangen. In de luwte maar toch op de voorste gelederen trek ik over de Tiegemberg, de eerste van een heleboel hindernissen.

Een eind verderop volgt Nokereberg. Ook die is nieuw voor mij. Boven staan een heleboel (dronken?) supporters ons aan te moedigen, terwijl we ook een energiereep krijgen toegestopt. Alsof ze het wisten. Geen uur later sta ik volledig geparkeerd. De ene toerist na de andere passeert de revue. Het licht gaat uit.

DE KLOOTZAK

Ik moet nog aan de derde helling beginnen, maar de benen zitten al helemaal vol. Onze pa en Nikki wachten een eind verderop. Stoppen komt wel in mij op, zo slecht gaat het. Maar stoppen staat gelijk aan een persoonlijke vernedering en dus blijf ik zo hard mogelijk op dat ding trappen. Gelukkig volgt net voor de Rekelberg mijn eigen bevoorrading.

Naast genoeg suikers gaat ook het ondertussen erg slepende achterwiel de wagen in. Ik ruil hem voor een 27 achteraan, waarmee de Koppenberg straks een pak makkelijker moet gaan. Maar eerst volgt een nieuwe plaspauze, met in navolging de Kaperij, de Kruisberg en de Hotond, waarna de Côte de Trieu de finale begint in te luiden.

De benen voelen met de kilometer weer iets beter. Ik rijd op reserve de Trieu naar boven en zet in de afdaling richting Oude Kwaremont voor het eerst een beetje spanning op de benen. Even testen. Met het oog op het duo Paterberg/Koppenberg dat er aankomt tast ik alle versnellingen een beetje af. Maar het bolt niet. Ik moet de Kwaremont niet. Nog steeds niet.

Ik draai op de steenweg en krijg een nieuwe bidon. Met deze moet ik het een tijdje redden. Richting Paterberg, maar een paar kilometer verderop, is het vooral op adem komen en voldoende ruimte laten op de groep voor me. Ik voel echter de hete adem uit de achtergrond die me verplicht te fietsen.

15u. Paterberg. Ik draai op naar rechts. Binnenblad. Naar boven kijken durf ik niet. Ik kijk alleen een meter voor me uit. De goot opzoeken? Geen optie. Dranghekken. Ik kan alleen maar naar boven dokken. Op de kleinste versnelling. Twintig procent. ’t Doet pijn. Alles kraakt. De Koppenberg? Zorgen voor straks.

’t Is boven komen en weer in gang schieten. De toeristen parkeren. Ben boven geraakt! Geen verrassing, wel voldoening. Nu al. Die van zo meteen is een van een ander kaliber. Als ik hier al naar mijn 27 moest zoeken, hoe geraak ik die andere puist dan op? Mama en Nele staan boven. ‘Ik kom af’, laat ik nog weten. ‘Maar ’t gaat niet lukken.’

Nog snel wat suiker naar binnen halen. Ik tast alle zakken af. Energie heb ik nodig. Maar eigenlijk nieuwe benen. Er is geen weg terug. De situatie van daarnet doet zich echter voor en ik moet vechten voor mijn positie. Daar ligt hem. De klootzak. Ik donder de eerste kasseien op en zit al aan hartslag 160. Zenuwen. Kilometers? 200.

Graag hou ik nog een tandje over, maar de benen beslissen er anders over. Op de 27. Kijk niet naar boven, Niels. Te laat. Verdomme. Heel veel volk. Blijven trappen. Trap voor trap. Ben ik al aan het lastige gedeelte? Nee, nog niet. Waar staan mama en Nele? Man van Lotto: rechts houden, alstublieft! Rechts!

Ik wil schelden, ik wil vloeken, maar het lukt niet. Door de aanmoedigingen van onbekenden – een welgemeende merci – overleef ik wel mijn ergste nachtmerrie. Hebben ze het gezien? Ze hebben het gezien. Mama en Nele staan boven. Dat is de beste plek vinden ze. Maakt niet uit. Ze roepen mijn naam en het geeft een enorme kick.

‘Jaaaaa’, stuur ik nog net voor de afdaling naar de wagen. De voldoening is groot. Daar waar ik 50 kilometer geleden nog wou stoppen, sta ik nu op de top van het lelijkste monster. Nummer drie ligt klaar in Meerbeke. Er ligt niks meer in de weg. Ik zet de gas open, maar zit al even snel weer in het wiel van een of ander Italiaan. Tegenwind.

GENOEG KASSEIEN

Na de brug gaat het naar links richting Steenbeekdries. Pa en Nikki staan er met een nieuwe bidon en een banaan. Handig. Maar met de afdaling van de Stationsberg – deze is echt niet leuk – stel ik de lunchpauze nog even uit tot voor de Taaienberg. Daar is het de goot opzoeken en zo snel mogelijk naar boven fietsen.

Dju. Een fotograaf. Snel uit de goot. ’t Is weer even dokken tot de man zijn shot genomen heeft. Daarna neem ik mijn plaats weer in. Dit gaat veel makkelijker. Wat? Boonen doet het ook. Verdomme, weer een camera. Ja, ik wil er goed opstaan. Maar met de supporters die even verderop staan blijf ik de kasseien tot de top wel trouw.

15.55u. Eikenberg. Op training enkele weken geleden vloog ik hier nog naar boven. Gewoon om de eerste te zijn. Ik slaagde toen wel in mijn opzet – over de rest van de hellingen die we toen gedaan hebben spreek ik mij niet uit. Maar nu is het andere koek. Het gevecht tegen mezelf. Hier en daar ligt gelukkig wat asfalt. Kleine strookjes om te recupereren.

Met inmiddels 220 kilometer in de benen is elke kassei voor de Muur van Geraardsbergen er een teveel. Ik draai de gashendel wat dicht en fiets iets meer op het gemak van groep naar groep. Fabrice, een kennis die ik net op de Steenbeekdries weer passeerde, gaat me weer voorbij. Maar op de Molenberg speel ik weer haasje over.

Tot twee jaar geleden was de Molenberg de eerste helling van de dag. Nu ligt ‘ie op goed 50 kilometer van het einde en weegt ze zwaar door. Maar ik kan de benen niet bedwingen. Het gaat weer goed. De Haaghoek en de Leberg zijn in een flits weg, enkel de laatste drie liggen nog tussen mij en Meerbeke.

Op Tenbosse zie ik voor het laatst de gele Kangoo. Pa neemt nog snel een foto, Nikki reikt me een laatste bidon aan. We zijn er bijna. Tenbosse is een eitje. De toeristen die hun vrienden nog even willen bestoken plaatsen hier hun verschroeiende demarrage, voor aleer ze na 450 meter zijn uitgeteld. Knock out. Ik zoef er zo twee exemplaren voorbij.

DE MUUR

De laatste officiële bevoorrading ligt wat ongelukkig. Ik laat m’n controlekaart zien en ben snel weer weg. Nu nog eten is overbodig. Wie nu niet meer vooruit komt, zal dat zo ook niet meer doen. De afdaling richting Geraardsbergen is ingezet. De benen laden weer vol op. Een kippenvelmoment als die van vorig jaar, met Mama op de Muur, zit er weer aan te komen.

Eens in Geraardsbergen gaat het richting Abdijstraat. Deze ken ik van binnen en vanbuiten. Hier kom ik wel eens trainen. Ik zoek ruimte. Voldoende plaats tussen mij en de mensen voor mij, wil ik de Muur zonder veel problemen overwinnen. Hier voet aan de grond zetten zou een smet zijn op mijn Ronde. Maar ik klim met de vingers in de neus naar boven.

17.30u. Ik draai rechts af. De Muur wenkt. Ik passeer het ene lijk na het andere nu in een sneltempo. Waar staat ons Mam? Niet hier. Misschien boven. Ben al aan het lastige gedeelte. Twintig procent. Gaat heel vlot. Parkeren? Niks parkeren. Tien per uur. Daar staat ze. Dag Mam. Kippenvel. Nu naar rechts. Kapelmuur. Hier komt mijn demarrage.

Het is alles geven. 55 kilometer per uur is niet snel genoeg. 60. Ja, het gaat naar beneden. Ik vlieg iedereen voorbij richting de laatste hindernis. De Bosberg. Even doseren? Niks van. Ik red het wel tot boven. De toeristen die aanhaken lossen bij de schim van het bos. Ik hoor ze al denken: die staat zo aan de kant.

Het tempo gaat naar beneden. De laatste kasseien. Komaan, Niels. Nog even. Ik schakel nog een tandje bij. Het moet sneller. Komt er een wagen? Nee. Naar links. Gaat veel makkelijker. Nummer drie. Nummer drie. De Bosberg lijkt langer dan op training. Ja, ik ben er. Nu weer optrekken. Snel naar de aankomst.

‘De hellingen zijn op, ik ga naar Meerbeke’, stuur ik nog naar de wagen. Alsof ze het niet weten. Als een gek maak ik nog tempo tot in Denderwindeke, daarna is het uitbollen. Nee: genieten. Dat iedereen die ik net voorbij reed er weer over gaat kan me even niet schelen. Ik ben er weer geraakt. Daar is Meerbeke. Na een rit van meer dan 10 uur en 280 kilometer.

Mijn controlekaart waar ik o zo voorzichtig mee was raak ik uiteindelijk nog kwijt. Geen diploma. Dries heeft ‘m wel. Heel blij voor hem. Iemand die mijn enthousiasme nu begrijpt. Ik zie hem nog in Ninove. Met een brede lach op zijn gezicht. Hij mag dan niet zoveel kilometers in de benen hebben dit jaar, tussen Brugge en Meerbeke vloog ‘ie. Super, man.

De sfeer rond de Ronde van Vlaanderen blijft uniek. Ook die voor toeristen. Ik heb hem nu drie keer uitgereden en daar ben ik trots op. Een nieuwe uitdaging? Graag. De Amstel Gold Race? Luik-Bastenaken-Luik? Misschien. Maar het zal verdomd moeilijk worden om de Ronde zomaar links te laten liggen.

Niels

0 reacties: