Een maand na mijn laatste wedstrijd was het zaterdag in Baasrode tijd voor mijn zogezegd wederoptreden. Een week rust met de beloofde cornetto en een stuk pizza was welgekomen en de zin om weer hard te gaan trainen kwam daardoor zoals gehoopt weer naar boven. Ik heb niet stil gezeten.
De benen voelen gelukkig beter dan de voorbije dagen. Een flater zoals de laatste keer hier in Baasrode – waar ik ziek aan de start verscheen en na drie ronden al uit koers verdween – bestaat vandaag niet. Maar een doel probeer ik niet te stellen. Of toch. ‘Een ronde probeer ik mee te gaan, daarna laat ik me wel uitzakken.’
Met tien bochten over een ronde van zes kilometer is het opnieuw draaien en keren. Ik kom nog ritme en kracht te kort voor na de bochten. Na een ronde afhaken en aansluiten bij de categorie die een minuut later start – zoals dat gaat bij de V.W.F. – is dus het plan. Maar zolang ik kan volgen, kom ik uiteraard niet aan de remmen.
Het startschot weerklinkt om vier uur en ik start in de buik van het peloton. In de eerste ronde gaat het niet onder de vijftig kilometer per uur, de tweede gaat gelukkig net iets langzamer. Goed voor de hartslag, die steeds schommelt tussen de 170 en de 180. Tijd om te recupereren na de voor mij bizarre gekke start is er helaas nooit bij.

In de vierde ronde, terwijl ik helemaal op mijn tandvlees aan 55 richting de aankomst fiets ergens achteraan het peloton, zoeft er links van mij plots een sneltrein voorbij. Een trein met de mannen die een minuut na ons zijn gestart. De mannen tussen de veertig en de vijftig jaar, met hier en daar een kilo teveel, maken ons belachelijk. Het lijkt wel of we stil staan.

Blijkbaar reden de betere renners uit onze categorie met de rem op, hoewel ik me amper kan voorstellen waar we net harder hadden kunnen rijden. Feit is dat de mannen uit de andere categorie alles uit elkaar rijden, waardoor ik niet langer in een peloton zit, maar ergens tussen het ene en het andere groepje.
De rest van de wedstrijd probeer ik nog zo goed mogelijk te volgen en ook mijn deel van het werk te doen: op kop rijden. We draaien af en toe eens goed rond en halen nog verschillende groepen bij. In de laatste ronde – wij moeten er op drie ronden van het einde uit omdat onze achterstand te groot geworden is – gaat het tempo weer de hoogte in en pers ik er op het einde nog een spurt uit (voor wat het waard is).
Al bij al hou ik een goed gevoel over aan de wedstrijd. Ik was een maand uit competitie: het had slechter kunnen zijn. En ondanks dat de overwinning mij maar matig (eigenlijk niet) interesseert zit ik met wat frustraties. Ik hoop maar dat wanneer ik veertig of vijftig ben mij niet moet uitsloven op de fiets en verkeerde keuzes moet maken om te winnen en me goed te voelen.
Niels.
0 reacties:
Een reactie plaatsen