maandag 5 april 2010

Mijn Ronde van Vlaanderen

De Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen is sinds vorig jaar de ultieme uitdaging geworden. Sinds november lig ik wakker van een tweede superdag. Beter doen dan de eerste keer is het doel. Sneller rijden dan 27 kilometer per uur. Ik heb zesduizend saaie kilometers in de benen, de conditie is iets beter.

Ik sta ondanks het weer met goede moed aan de start in Brugge. Gelukkig is het al klaar, en vertrek ik rond acht uur voor mijn tocht over 250 kilometer. Het eerste wat je dan doet, is zoeken naar een goede groep. Lang duurt het niet voor ik ergens aansluit, lang duurt het voor aleer ik de mindere goden passeer.

Net voorbij de kust kom ik in een nieuwe groep terecht en zet ik me achter een brede rug. Trappen is geen overbodige luxe met de geweldige tegenwind, ook al zit ik goed verscholen. En net op het moment dat alles iets vlotter lijkt te gaan rijd ik achteraan lek. ‘Papa, kan je komen? Ik ben net plat gereden.’

De papa volgt ook dit jaar met veel plezier mijn Ronde. Samen met Nikki, mijn zus. Pa geeft me een nieuw wiel en helpt daarna nog verschillende andere mensen met pech. Ik fiets verder en zit de volgende dertig kilometer alleen, tot ik plots iemand in het wiel opmerk en hem vraag over te nemen.

Samen met de man, die uit Amsterdam blijkt te komen, en twee West-Vlamingen gaat het richting Desselgem, het dorp van de ronde. Dat het gezellig is blijkt ook een stuk verder. Een bordje gemist, we rijden nergens meer. Een omweg van een tiental kilometer. Toch bereiken we de tweede bevoorrading.

De regen komt opnieuw opzetten en het regenjasje is goed doorweekt. Na 120 kilometer wissel ik van jasje, helm, handschoenen en krijg ik opnieuw mijn ondertussen herstelde achterwiel terug. Nikki helpt me door wat cola aan te geven, bananen weg te stoppen en goede moed in te praten.

‘Slechte benen’, roep ik desondanks nog naar de papa. De wind kruipt in de benen. Toch voel ik me naar mate de dag vordert iets beteren en fiets ik van groepje naar groepje. Profiteren is er niet meer bij, want ondertussen lijkt iedereen stil te staan. Beter doen dan vorig jaar is moeilijk, maar ik weiger me er bij neer te leggen.

De kilometers lange kasseistroken zijn plots een opluchting. Het begint, eindelijk! Ik vlieg en kan mijn benen niet bedwingen. Ik blijf eten en drinken met de hoop om te blijven gaan. De wind blijft komen, het gemiddelde van 29 kilometer per uur zakt. En toch voelt het alsof ik steeds sneller ga rijden.

Den Ast, de eerste helling van de dag, is geen probleem. De tweede, de Kluisberg, gaat al iets moeizamer na de kilometerslange tegenwind. Op de Trieu spaar ik mijn krachten en de Oude Kwaremont zie ik naar goede gewoonte helemaal niet zitten. Ik hou niet van de Kwaremont, en hij ook niet van mij.

Ik schakel naar de 25 en verras mezelf een beetje. Het gaat vlot, ook al schuift het hard. Iets verder kom ik ook een oude bekende tegen. ‘De man uit Amsterdam, kom op!’, roep ik, waarop hij me bedankt. De mensen langs de kant schreeuwen ons naar boven en ik schakel wat bij. Even wat laten zien.

De Patersberg is na de Koppenberg de enige helling waar ik van in mijn broek doe, zeker vandaag. Uit de verte heb ik al verschillende mensen zien sukkelen, ook aan de voet is dat het geval. Toch bereik ik verrassend makkelijk de top, en trek ik me op aan de afdaling die – meestal – volgt. Ik zie het als een cadeau.

Papa en Nikki moedigen me aan richting de Koppenberg, waar ik haast zeker van weet niets te zullen doen. Aan de voet durf ik niet eens op te kijken. Ik kijk naar de besmeurde, modderige kasseien en bereik het lastige gedeelte. De andere toeristen staan stil of vallen gewoon van hun fiets. Ik begin te vloeken.

Elke trap is een overwinning. Links, ja! Rechts, ja! En nog eens, tot het licht plots uit gaat. Voet aan de grond, de teleurstelling is bijzonder groot. Het duurt echter allemaal geen seconde, maar er gaat in dat ene moment zoveel door je heen. Ik weet niet hoe, maar ik ben wel in staat om gelijk weer op te trekken.

De andere toeristen die naast hun fiets lopen zijn plots mijn grootste supporters. Een kippenvelmoment. Iedereen roept me naar boven, de kick is bijzonder groot. De Steenbeekdries is de volgende afspraak, waar ik opnieuw papa en Nikki zie. ‘Het is gelukt! De Koppenberg is gelukt!’, geef ik hen mee.

Na 190 kilometer, aan de voet van de Taaienberg, staat de vierde en laatste bevoorrading op het menu. Het einde is in zicht. ‘Mama, Nele en Bart staan op de Muur te wachten’, zegt Papa. Ik mag er niet aan denken. Ik ben op weg naar het mooiste moment op de fiets. Ik beslis mijn krachten te zullen sparen.

De Eikenberg en de Molenberg voel ik niet meer. Alles gaat vlot, ook de Haaghoek, ondanks de fel opzettende pijn in de vingers. Een nieuwe regenvlaag op Tenbosse en op weg naar Geraardsbergen, via de drukke baan uit Brakel, gaat het niet snel genoeg. Ik wil sneller, maar geraak niet voorbij de groepjes.

Ik slaag er op het nippertje in om de volgende groep te bereiken en me op de Kloosterstraat (nu Abdijstraat) vooraan te positioneren. ‘Spaar je, Niels, spaar je!’, gaat er door m’n hoofd, al ik rijd zo makkelijk naar boven. De gedachte dat ze helemaal op de top staan te wachten geeft me een mentale boost.

En daar is ‘ie dan. De Muur. Ik schakel iets groter om later, in een crisismoment, de opluchting te zoeken in een kleiner verzet. Ik zie mama staan, met de GSM in de hand, met de papa aan de lijn. Ik zwaai, zij zwaait terug. Een ongelofelijk moment. ‘Komaan, Niels’, roept ze. Ik schakel twee tanden groter.

Ik hoor Nele me aanmoedigen en voel plots geen vermoeidheid meer. Ik schiet uit het pedaal, maar herpak me. Ik storm iedereen voorbij en bereik iets verder de Kapelmuur. Met tranen in de ogen en aan een snelheid van 50 kilometer per uur gaat het richting de Bosberg, waar Nikki en Papa me ook opwachten.

Even schiet me een flashback van vorig jaar door het hoofd en denk ik terug aan het moment met Tom, toen ik bijzonder makkelijk de top bereikte. Het gaat dit keer net iets moeizamer, maar de kick is even groot. ‘Proficiat’, hoor ik, waarop ik de vuist balt. Ik kijk achterom, en zie hen allebei even hard juichen.

In Meerbeke is de opluchting opnieuw groot. Ik mag een tweede streepje achter de Ronde plaatsen. Het lijkt allemaal heel relatief, maar ik ben er helemaal gek van. Ondanks de wind, de regen, de hagel en de omweg van tien kilometer bereik ik ‘slechts’ vijftig minuten langzamer de aankomst. Ik kan er mee leven.

De cijfers

Kilometer: 260
Gemiddelde snelheid: 25.3 km/h
Maximale snelheid: 66 km/h
Gemiddelde hartslag: 131
Maximale hartslag: 172
Calorieen: 6413

0 reacties: