woensdag 31 augustus 2011

MuurChallenge

Eindelijk. 27 augustus. Een dag waar ik lang naar heb uitgekeken. De MuurChallenge in Geraardsbergen moet mijn eerste en enige competitie worden dit seizoen. Een virus gooide maandenlang roet in het eten. Mijn harde winter met veel kilometers was voor niks geweest. De laatste weken gaat het gelukkig weer iets beter. Na elf maanden kan ik weer een rugnummer opspelden. Het WK in Italië, wat mijn hoofddoel zou worden, moet ik door datzelfde virus en het gebrek aan een betere conditie daardoor schrappen.

Ik wist goed genoeg dat ik de MuurChallenge - waar we met WVcycling aan meewerken – niet zomaar zou laten vallen. Ik zou hier starten. Hoe dan ook. De kleine afstand van 4,6 kilometer zal me nog wel lukken, al is het de hele tijd in het rood gaan. De afgelopen weken zocht ik vaak lopende wegen op om de Muur te simuleren. Is niet echt gelukt. Maar het heeft de conditie wel geholpen. De verkenning van het parcours zelf enkele weken voordien was een minder goed idee en zorgde voor een kleine deuk in mijn moraal.

Eerlijk gezegd hoopte ik op een dikke regenbui in de nacht van vrijdag op zaterdag. Heel graag wilde ik natte kasseien, waardoor niet alleen ik maar tegelijk iedereen niet lang op de trappers kan lopen. ’t Is er niet van gekomen. Heel de nacht bleef het droog en dus moet er op droge kasseien worden gereden. Mijn kansen schat ik bij de verkenning dus niet al te hoog in. Winst? Ga weg. Top twintig? Mogelijk.

Met Klaas, Matt en Niels starten er drie goede vrienden net voor me. Allen in de kleuren van WVcycling. Mooi. En toeval of niet, maar een uur voor onze start trekt de zon weg en komt de regen met bakken uit de lucht gevallen. Daar gaan onze kansen. We trekken samen in de regen naar de start een eind verderop waar we schuilen onder een brug. We bibberen van de kou.

Een goed kwartier later zijn we eindelijk bekomen en lacht het geluk ons weer een beetje toe. De regen is gestopt en dus kunnen we nog een beetje opwarmen. Op de grote plateau en een paar keer alles geven. Niels vertrekt als eerste, Matt volgt, waarna Klaas net voor mij start. Elk om de twee minuten. En net wanneer ik het podium op wil passeert achter mij de Leeuw van Vlaanderen. Johan Museeuw. Gelukkig start die een minuut of tien later.

Organisator Kim Barbé telt voor me af en precies om 13.46u ben ik weg. Goed honderd meter rechtdoor, daarna meteen naar links. Denderpad. Een kilometer of drie. Ik probeer meteen de gas open te draaien maar besluit om niet over de 40 kilometer per uur te gaan. De tegenwind maakt het verdomd lastig. Een beetje reserve houden voor de Vesten en de Muur is het plan.

De natte wegen en de vele bochten doen de snelheid weer dalen en op de Abdijstraat een eind verderop sta ik volledig geparkeerd. Schakelen wil niet lukken en ik moet het kleine stuk naar boven op het grote mes. Richting markt doet ‘ie het gelukkig weer. Oef. Het steile stuk van de Vesten daarna ligt me voor geen meter. Ik vreet mijn kas op. Waarom doet het publiek geen moeite me vooruit te roepen?

Weer naar links. De uitloper. Wind in de rug. Gaat weer iets sneller. Is dat Klaas in de verte? Met een kilometer of zeventig op de teller is zijn conditie niet allerbest. Het plezier primeert bij hem. Klaas wordt steeds groter. Ik kom dichter. Maar lang naar boven kijken durf ik niet. Ik wil absoluut vermijden op een of ander steen terecht te komen. Ik mag er niet aan denken hier lek te rijden. Hoe ironisch zou dat zijn?

Eens boven gaat het rechts richting Muur. Hoe snel ik ga weet ik niet. Maar het gaat goed. Het gaat nog. Het gaat. Ik passeer Klaas. “Komaan Niels”, roept ‘ie. Ook pa en ma roepen. Naar links. Lastig gedeelte. 20%. Hartslag 193. In het rood is nu donkerrood geworden. Eigenlijk ben ik al lang boven, maar niemand ziet het. Er schreeuwt tien man op mij. Ik blik naar boven. Het zijn alleen Wim en zijn broer die uit hun dak gaan. Maar wel voor tien man samen.

Ik geef alles wat ik heb, maar voel de kaars op de Kapelmuur uitgaan. De laatste stuiptrekkingen. Sprintje. Nog een laatste aanmoediging. Finish. Gedaan. Seizoen voorbij. Na 4,6 kilometer zit 2011 erop. Ik bol uit en keer daarna terug naar de top voor de uitslag. Elfde. De paar seconden die ik verlies op de Abdijstraat kom ik te kort voor de top tien. Mijn passage op de Muur zelf was wel goed voor een zesde plaats in het bergklassement. Ben ik tevreden mee. En nu? Op naar 2012.

TOP 5 + TEAM WVCYCLING

1. David Van Der Stockt (Geraardsbergen) – 9'13
2. Bart Verkaemer (Waregem) – 9'20
3. Pieter De Clercq (Heers) – 9'21
4. Kurt De Vlaminck (Liedekerke) – 9'24
5. Matthias Huylebroeck (Berlare) – 9'40
..
11. Niels De Wit (Lebbeke) - 9'52
19. Kristof Wagemans (Bazel) - 10'17
43. Niels Van der Aa (Malderen) - 10'49*
71. Klaas Maes (Maaseik) - 12'32

* Niels Van der Aa had pech op de Muur.

maandag 4 april 2011

Nummer 3

Ach. Pijn. ’t Is vijf uur. Ben wel wakker. Of wat je wakker kan noemen om dit uur. Weet niet goed wat te doen, of liever: wat eerst te doen. Kleren aandoen, rugzakken klaarmaken, voldoende eten en drinken meegraaien en de fiets niet vergeten. Of andersom? Met half open ogen red ik het gelukkig wel. We zijn niet op tijd, maar we zijn wel goed vertrokken.

’t Is vandaag de mooiste dag van het jaar. De Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen. Hier geniet ik van. Niet van begin, wel meer naar het einde toe. Die eerste honderd kilometer kunnen lang duren. Nee, ik kan het mij niet laten. Wis die nummer twee maar uit, een drie staat zoveel mooier. Maar dan moet ik wel eerst die 260 kilometer opnieuw halen.

De Ronde is twee weken eerder begonnen. Bloedcontrole. Was niet zo best. Door een te lage waarde van mijn hematocriet kan het straks snel gedaan zijn. Gewoon moe. De laatste voorbereiding op mijn Ronde was dus verre van ideaal. Ik hoop niet meer op een superdag zoals die van twee jaar geleden. Of toch wel. Maar de realiteit steekt er wel een stok voor.

Papa en Nikki zullen me weer helpen. Me voorzien van genoeg eten en drinken en dergelijke. Foto’s maken, eventuele materiaalpech verhelpen. Een etappe van 260 kilometer kan lang duren wanneer er geen bekenden in de buurt zijn. Maar daar maak ik me nu dus geen zorgen om. En mama zal straks samen met Nele ook enkele passages meepikken.

Het was aanvankelijk het idee om samen met Dries van start te gaan in Brugge. Maar door te laat te vertrekken komt er daar niks van in huis. ‘Wacht maar niet op mij. Ik zie je wel in Meerbeke’, stuur ik hem nog. Hij werkt aan zijn nummer één en is net zoals ik dat toen was enorm onzeker.

VALSE START

Bij de aankomst in Brugge gaat het meteen richting de start. Helaas met een spaak te kort. Gebroken. Verdomme. Een tweede vloek volgt na het aansluiten bij het pak, waar ik wacht om het startpodium te passeren. Daar begint mijn Ronde. Maar ik verlies snel een kwartier om uiteindelijk enkel een peperkoek mee te krijgen. Toch wel een valse start genomen.

7.45u. Ik ben vertrokken en laat Brugge achter mij. Het duurt niet lang voor aleer ik een groep van een man of 100 voor mij zie uitrijden. Ik aarzel niet en probeer de kloof zo snel mogelijk te dichten. Kwestie om de kaap van de 100 kilometer tegenwind te overbruggen door zo weinig mogelijk energie te verspillen. Maar ik zou er snel spijt van krijgen.

Bij elke tien meter is het remmen geblazen, soms tot de verrassing toe. En wanneer de groep dan ook nog eens een ommetje maakt van om en bij de 27 kilometer, voel ik mij dik in het zak gezet. Nee, eigenlijk had ik geen flauw benul van de omweg. Al had ik al een naar gevoel toen we ergens in de buurt van Oostkamp de vierde afslag namen bij een rond punt.

Mijn vermoeden wordt steeds sterker. De eerste bevoorrading na 54 kilometer laat verdomd lang op zich wachten. En er staat inmiddels al 75 kilometer op de teller. Ik zit zonder water, zonder eten en heb het door de snel opkomende zon al heel warm. De shirts gaan open, het verlangen naar een druppel water is groot. Maar de ploegleider zit een eind verderop.

Na goed 80 kilometer bereik ik toch de eerste bevoorrading. Ik geef de controlekaart af, graai een suikerwafel of twee mee en zie een eind verderop voor het eerst de gele Kangoo. De ballast sneuvelt. De voetstukken gaan uit, de dikke jas gaat eveneens overboord. Een nieuwe bidon, en een boodschap: ga alstublieft niet te ver weg.

De groep die me een minder humeur bezorgde laat ik achter bij de bevoorrading. Ik sta er na in principe 54 kilometer alleen voor. Ik wandel van groep naar groep en probeer zo min mogelijk wind te vangen. In de luwte maar toch op de voorste gelederen trek ik over de Tiegemberg, de eerste van een heleboel hindernissen.

Een eind verderop volgt Nokereberg. Ook die is nieuw voor mij. Boven staan een heleboel (dronken?) supporters ons aan te moedigen, terwijl we ook een energiereep krijgen toegestopt. Alsof ze het wisten. Geen uur later sta ik volledig geparkeerd. De ene toerist na de andere passeert de revue. Het licht gaat uit.

DE KLOOTZAK

Ik moet nog aan de derde helling beginnen, maar de benen zitten al helemaal vol. Onze pa en Nikki wachten een eind verderop. Stoppen komt wel in mij op, zo slecht gaat het. Maar stoppen staat gelijk aan een persoonlijke vernedering en dus blijf ik zo hard mogelijk op dat ding trappen. Gelukkig volgt net voor de Rekelberg mijn eigen bevoorrading.

Naast genoeg suikers gaat ook het ondertussen erg slepende achterwiel de wagen in. Ik ruil hem voor een 27 achteraan, waarmee de Koppenberg straks een pak makkelijker moet gaan. Maar eerst volgt een nieuwe plaspauze, met in navolging de Kaperij, de Kruisberg en de Hotond, waarna de Côte de Trieu de finale begint in te luiden.

De benen voelen met de kilometer weer iets beter. Ik rijd op reserve de Trieu naar boven en zet in de afdaling richting Oude Kwaremont voor het eerst een beetje spanning op de benen. Even testen. Met het oog op het duo Paterberg/Koppenberg dat er aankomt tast ik alle versnellingen een beetje af. Maar het bolt niet. Ik moet de Kwaremont niet. Nog steeds niet.

Ik draai op de steenweg en krijg een nieuwe bidon. Met deze moet ik het een tijdje redden. Richting Paterberg, maar een paar kilometer verderop, is het vooral op adem komen en voldoende ruimte laten op de groep voor me. Ik voel echter de hete adem uit de achtergrond die me verplicht te fietsen.

15u. Paterberg. Ik draai op naar rechts. Binnenblad. Naar boven kijken durf ik niet. Ik kijk alleen een meter voor me uit. De goot opzoeken? Geen optie. Dranghekken. Ik kan alleen maar naar boven dokken. Op de kleinste versnelling. Twintig procent. ’t Doet pijn. Alles kraakt. De Koppenberg? Zorgen voor straks.

’t Is boven komen en weer in gang schieten. De toeristen parkeren. Ben boven geraakt! Geen verrassing, wel voldoening. Nu al. Die van zo meteen is een van een ander kaliber. Als ik hier al naar mijn 27 moest zoeken, hoe geraak ik die andere puist dan op? Mama en Nele staan boven. ‘Ik kom af’, laat ik nog weten. ‘Maar ’t gaat niet lukken.’

Nog snel wat suiker naar binnen halen. Ik tast alle zakken af. Energie heb ik nodig. Maar eigenlijk nieuwe benen. Er is geen weg terug. De situatie van daarnet doet zich echter voor en ik moet vechten voor mijn positie. Daar ligt hem. De klootzak. Ik donder de eerste kasseien op en zit al aan hartslag 160. Zenuwen. Kilometers? 200.

Graag hou ik nog een tandje over, maar de benen beslissen er anders over. Op de 27. Kijk niet naar boven, Niels. Te laat. Verdomme. Heel veel volk. Blijven trappen. Trap voor trap. Ben ik al aan het lastige gedeelte? Nee, nog niet. Waar staan mama en Nele? Man van Lotto: rechts houden, alstublieft! Rechts!

Ik wil schelden, ik wil vloeken, maar het lukt niet. Door de aanmoedigingen van onbekenden – een welgemeende merci – overleef ik wel mijn ergste nachtmerrie. Hebben ze het gezien? Ze hebben het gezien. Mama en Nele staan boven. Dat is de beste plek vinden ze. Maakt niet uit. Ze roepen mijn naam en het geeft een enorme kick.

‘Jaaaaa’, stuur ik nog net voor de afdaling naar de wagen. De voldoening is groot. Daar waar ik 50 kilometer geleden nog wou stoppen, sta ik nu op de top van het lelijkste monster. Nummer drie ligt klaar in Meerbeke. Er ligt niks meer in de weg. Ik zet de gas open, maar zit al even snel weer in het wiel van een of ander Italiaan. Tegenwind.

GENOEG KASSEIEN

Na de brug gaat het naar links richting Steenbeekdries. Pa en Nikki staan er met een nieuwe bidon en een banaan. Handig. Maar met de afdaling van de Stationsberg – deze is echt niet leuk – stel ik de lunchpauze nog even uit tot voor de Taaienberg. Daar is het de goot opzoeken en zo snel mogelijk naar boven fietsen.

Dju. Een fotograaf. Snel uit de goot. ’t Is weer even dokken tot de man zijn shot genomen heeft. Daarna neem ik mijn plaats weer in. Dit gaat veel makkelijker. Wat? Boonen doet het ook. Verdomme, weer een camera. Ja, ik wil er goed opstaan. Maar met de supporters die even verderop staan blijf ik de kasseien tot de top wel trouw.

15.55u. Eikenberg. Op training enkele weken geleden vloog ik hier nog naar boven. Gewoon om de eerste te zijn. Ik slaagde toen wel in mijn opzet – over de rest van de hellingen die we toen gedaan hebben spreek ik mij niet uit. Maar nu is het andere koek. Het gevecht tegen mezelf. Hier en daar ligt gelukkig wat asfalt. Kleine strookjes om te recupereren.

Met inmiddels 220 kilometer in de benen is elke kassei voor de Muur van Geraardsbergen er een teveel. Ik draai de gashendel wat dicht en fiets iets meer op het gemak van groep naar groep. Fabrice, een kennis die ik net op de Steenbeekdries weer passeerde, gaat me weer voorbij. Maar op de Molenberg speel ik weer haasje over.

Tot twee jaar geleden was de Molenberg de eerste helling van de dag. Nu ligt ‘ie op goed 50 kilometer van het einde en weegt ze zwaar door. Maar ik kan de benen niet bedwingen. Het gaat weer goed. De Haaghoek en de Leberg zijn in een flits weg, enkel de laatste drie liggen nog tussen mij en Meerbeke.

Op Tenbosse zie ik voor het laatst de gele Kangoo. Pa neemt nog snel een foto, Nikki reikt me een laatste bidon aan. We zijn er bijna. Tenbosse is een eitje. De toeristen die hun vrienden nog even willen bestoken plaatsen hier hun verschroeiende demarrage, voor aleer ze na 450 meter zijn uitgeteld. Knock out. Ik zoef er zo twee exemplaren voorbij.

DE MUUR

De laatste officiële bevoorrading ligt wat ongelukkig. Ik laat m’n controlekaart zien en ben snel weer weg. Nu nog eten is overbodig. Wie nu niet meer vooruit komt, zal dat zo ook niet meer doen. De afdaling richting Geraardsbergen is ingezet. De benen laden weer vol op. Een kippenvelmoment als die van vorig jaar, met Mama op de Muur, zit er weer aan te komen.

Eens in Geraardsbergen gaat het richting Abdijstraat. Deze ken ik van binnen en vanbuiten. Hier kom ik wel eens trainen. Ik zoek ruimte. Voldoende plaats tussen mij en de mensen voor mij, wil ik de Muur zonder veel problemen overwinnen. Hier voet aan de grond zetten zou een smet zijn op mijn Ronde. Maar ik klim met de vingers in de neus naar boven.

17.30u. Ik draai rechts af. De Muur wenkt. Ik passeer het ene lijk na het andere nu in een sneltempo. Waar staat ons Mam? Niet hier. Misschien boven. Ben al aan het lastige gedeelte. Twintig procent. Gaat heel vlot. Parkeren? Niks parkeren. Tien per uur. Daar staat ze. Dag Mam. Kippenvel. Nu naar rechts. Kapelmuur. Hier komt mijn demarrage.

Het is alles geven. 55 kilometer per uur is niet snel genoeg. 60. Ja, het gaat naar beneden. Ik vlieg iedereen voorbij richting de laatste hindernis. De Bosberg. Even doseren? Niks van. Ik red het wel tot boven. De toeristen die aanhaken lossen bij de schim van het bos. Ik hoor ze al denken: die staat zo aan de kant.

Het tempo gaat naar beneden. De laatste kasseien. Komaan, Niels. Nog even. Ik schakel nog een tandje bij. Het moet sneller. Komt er een wagen? Nee. Naar links. Gaat veel makkelijker. Nummer drie. Nummer drie. De Bosberg lijkt langer dan op training. Ja, ik ben er. Nu weer optrekken. Snel naar de aankomst.

‘De hellingen zijn op, ik ga naar Meerbeke’, stuur ik nog naar de wagen. Alsof ze het niet weten. Als een gek maak ik nog tempo tot in Denderwindeke, daarna is het uitbollen. Nee: genieten. Dat iedereen die ik net voorbij reed er weer over gaat kan me even niet schelen. Ik ben er weer geraakt. Daar is Meerbeke. Na een rit van meer dan 10 uur en 280 kilometer.

Mijn controlekaart waar ik o zo voorzichtig mee was raak ik uiteindelijk nog kwijt. Geen diploma. Dries heeft ‘m wel. Heel blij voor hem. Iemand die mijn enthousiasme nu begrijpt. Ik zie hem nog in Ninove. Met een brede lach op zijn gezicht. Hij mag dan niet zoveel kilometers in de benen hebben dit jaar, tussen Brugge en Meerbeke vloog ‘ie. Super, man.

De sfeer rond de Ronde van Vlaanderen blijft uniek. Ook die voor toeristen. Ik heb hem nu drie keer uitgereden en daar ben ik trots op. Een nieuwe uitdaging? Graag. De Amstel Gold Race? Luik-Bastenaken-Luik? Misschien. Maar het zal verdomd moeilijk worden om de Ronde zomaar links te laten liggen.

Niels

donderdag 23 september 2010

Mijn strijd om de regenboog

De wekker hoeft niet eens af te lopen, ik ben al wakker. Nee, veel geslapen heb ik niet. Het was iets na elf, maar echt slapen deed ik pas een dik uur later. Snel nog even naar de computer in de hoop nog enkele fans naar Lierde te strikken. ‘Tot straks iedereen?’

Samen met de Pap gaat het om tien uur richting de Vlaamse Ardennen. Wel vijf keer heb ik alles gecontroleerd. Heb ik wel alles mee? De zenuwen van vannacht zijn enkel maar toegenomen. Ik wil straks winnen en wereldkampioen worden. Wie niet? De 43 andere journalisten delen wellicht dezelfde droom.

Eens in Lierde gaat het richting het gemeentehuis. Nummer halen, plaatje monteren en snel nog een rondje of twee de fiets op. Door de verkenningen – ja, meervoud – van de afgelopen weken, ken ik het parcours ondertussen uit m’n broekzak. Mijn zwakke plek? Dan toch wel die lastige Eikenmolen.

Goed drie uur en zestig kilometer later ben ik helemaal klaar voor de wedstrijd. Mijn talrijk (acht!) opgekomen fans verdelen zich over het parcours en zie ik als het goed is twee keer per ronde. Om 16u schiet de organisatie ons op gang en volgt de eerste zucht. Eindelijk, we zijn vertrokken!

Bij de start kijkt iedereen de kat uit de boom. Even rijden enkele Nederlanders weg, die echter nog voor de eerste van vijf passages aan de Eikenmolen – met de top op anderhalve kilometer van de aankomst – worden gevat. Ik rijd op reserve naar boven, aan de streep komt alles terug.

Een ronde verder is het opnieuw een Nederlander die aan de haal gaat. In tegenstelling tot zijn landgenoten slaagt hij er wel in uit het zicht te rijden, mede door het gebrek aan interesse in het peloton. Geen Belg, geen Brit, zelfs geen van de vele Duitsers die ook maar de aanzet geven tot achtervolgen.

Mark Koghee neemt steeds meer voorsprong en in de derde ronde bedraagt die zelfs meer dan een minuut. Ik meng me voor het eerst in de debatten, reageer op een uitval van een Italiaan en probeer daarna ook zelf een tegenaanval op poten te zetten. “Komaan Frederik”, moedigt het publiek me aan.

Mijn aanval is tevergeefs. De wind maakt het ons vandaag niet makkelijk. Bij een nieuwe doortocht aan het monster is het thuisrijder en topfavoriet Frederik Backelandt – nu wel - die samen met zijn collega voor verbrokkeling zorgt. Ik ontbreek aan kracht en moet op het binnenblad naar boven. Maar door een snelle afdaling en wat pokerspel vooraan weet ik terug te komen.

De voorsprong van Koghee daalt en door nieuwe prikken in de vierde en voorlaatste ronde krijgt het peloton hem voor het eerst weer in het vizier. Ik wacht mijn moment af en weet dat ik voor de laatste passage aan de Eikenmolen weg moet geraken wil ik straks echt kampioen worden.

Net als op het echte WK luidt de bel ook hier hard. Nog één ronde, nog twaalf kilometer. De prikken volgen elkaar in een sneltempo op en ik zet me op de eerste rij om zeker niks te moeten missen. En met nog goed acht kilometer voor de boeg versnelt ene Christophe Moêc.

Ik wacht en reageer een tiental seconden later op een tegenreactie van een Duitser en een Sloveen. Iets te laat, want door de hellende strook en de wind die parten speelt kom ik nooit tot op het wiel. Ik kijk achterom, zie de Nederlanders komen en besluit de benen weer stil te houden.

Moêc maakt de sprong naar Koghee, de twee anderen bengelen tussen hen en het peloton in. De ‘finale Eikenmolen’ komt steeds dichter en het besef dat ik vandaag geen wereldkampioen zal worden wordt steeds groter. Als de toppers straks op het buitenblad naar boven spurten, ben ik eraan voor de moeite.

Tijd om na te denken is er niet meer. En toch valt het peloton iets verder weer stil. Niet naar de zin van ‘kopman’ Frederik, die volledig in de wind zit. In een fractie van een seconde beslis ik hem een hand toe te steken – winnen zit er voor mij niet meer in – en zet ik me op kop van het peloton. “Pak mijn wiel!”

Ik rijd me helemaal leeg en haal de twee achtervolgers terug. Daarna is het op volle snelheid richting de Eikenmolen, waar de rest overneemt en de resterende meters naar Moêc, die zich heeft losgemaakt van Koghee, helemaal goedmaken. De mensen schreeuwen Frederik naar een wereldtitel, maar de sterke Moêc klopt hem alsnog op de meet.

Leeggereden – op de top van de Eikenmolen zat er niks meer in – passeer ik uiteindelijk als 21e de aankomst, waarna ik op zoek ga naar de andere Belgen en al hijgend vraag naar de uitslag. “Hebt ge gewonnen? Hebt ge gewonnen?” Maar de ontgoocheling druipt er vanaf. “Die verdomde Fransoos.”

Ik hou aan vier maanden trainen uiteindelijk niks over. Ik heb het verschillende keren geprobeerd met een aanval maar het mocht niet zijn. De beslissing om voor een ander te werken kwam er spontaan en zonder veel na te denken. Maar ik ben blij dat ik het heb gedaan.

De droom om net als ‘de echten’ die trui eens te mogen dragen zal ik minstens een jaar moeten uitstellen. Naar Italië? Graag. Maar voor dit jaar ben ik klaar. Mijn seizoen is over.

zaterdag 18 september 2010

WK Lierde

Met de benen naar boven en de televisie aan wacht ik tot het tijd is om te gaan slapen. Het is acht uur. Nog een uurtje of twee, misschien? Maak er maar drie van. Slapen voor twaalf uur is inmiddels al enkele jaren geleden. Gisteren deed ik nog een aardige poging, maar net als eergisteren slaagde ik niet in m’n opzet.

Het is niet voor niets. Nee, ook niet dat ik al een hele week lichtjes hoop lek te rijden op training. Sinds begin juni zit ik met slechts één doel op de fiets: het wereldkampioenschap bij de journalisten. Te laat naar bed is uit den boze, die lekke band krijg ik moeilijker onder woorden.

Ik hoop op een goede prestatie. Dat pech uitblijft en ik Lierde mag verlaten met een leeggereden maar goed gevoel. Mijn kansen? Moeilijk in te schatten. Ik zou niet weten waar ik straks eindig. Maar de drang om goed te presteren is groter dan de angst om af te gaan.

Tot morgen? Afspraak in Lierde om 16u.

maandag 23 augustus 2010

Een welgemeende FUCK

Ik begin steeds meer te denken dat ik de enige renner ben die meer traint dan koerst. Het is ook effectief zo. Ik koers niet heel graag. Dat drummen, die tempoversnellingen. Ik mag er niet teveel aan denken. Maar na afloop van iedere wedstrijd ben ik wel tevreden. Het gaat telkens iets beter. De droom om ooit eens het zegegebaar te maken verplicht me om te blijven trappen.

En zonder gezever: vandaag was ik er heel kort bij. Echt waar. De benen waren goed. Het parcours in en rond, maar vooral in Lennik was een kolfje naar mijn hand: op en neer en veel rechte stukken. Niet dat dit criterium bovenaan het lijstje staat, helemaal niet, maar wanneer je de kans ziet moet je ze wel grijpen.

De regen heeft plaats gemaakt voor een warme zon en de wegen zijn gelukkig droog. We staan met 66 aan de start met mezelf op de tweede rij. De tactiek om een premie mee te graaien heb ik aan de inschrijving opgegeven. “Geen premies, alleen geldprijzen voor de eerste dertig in de uitslag”, klinkt het. Later in de wedstrijd zou ik eens goed vloeken, want meneer van de UCI had het helaas fout.

En… aanvallen maar! De start is gegeven en zoals gewoon schieten verschillende jongens meteen hun beste pijlen af. Niet ik. Ik bekijk alles van op de vierde rij en volg het peloton, dat keer op keer alle gaatjes dicht en aan een mak tempo de eerste drie ronden afwerkt.


De ronde daarop schiet ik naar voor. Ik plaats een versnelling en meet de schade. Iedereen volgt en iedereen blijft ook zitten. Ik heb het tempo in handen en geef er tussen de weide nog eens een geweldige snok aan. Alles zit op een lint, maar de afdaling richting finish brengt weer vorm in het peloton.

Ik koers attent mee en probeer tevergeefs nog enkele keren een vlucht op poten te zetten. Een maat voor niets, want ondanks dat het op en neer gaat lijkt een sprint onvermijdelijk. In de voorlaatste ronde waag ik nogmaals mijn kans, dat wederom op een sisser uitdraait. En plots begint het heel hard te regenen.


Een slechter moment was haast niet mogelijk. Terwijl het tempo met vijf tot tien kilometer per uur de hoogte in gaat moet er veiligheid worden ingebouwd. Niemand lijkt zich echter te storen aan de regendruppels, want de pogingen om weg te komen stapelen zich in een sneltempo op.

In de laatste ronde volgt er net voor een van de lastige bochten een nieuwe grote prik. Ik schuif mee en kies voor de binnenkant van de bocht. Maar goed ook, want de renner voor mij kiest pijnlijk voor het asfalt. Met veel moeite krijg ik de kloof dicht, waarna ook de rest van het pak weer komt aansluiten. Ik probeer de hartslag te laten zakken en draai als derde de bocht naar de weide op. Een nieuwe versnelling volgt, die echter niet veel meer voorstelt. Ik remonteer en ga op twee kilometer van de aankomst op zoek naar de bloemen.


Ik draai als eerste de laatste rechte lijn op. Meer dan een snelheid van 65 kilometer per uur zit helaas niet meer in de benen. Ik geef alles wat in me zit, maar voel het pak steeds meer naderen. Met nog 300 meter te gaan is mijn vlucht dan ook geschiedenis en bol ik uiteindelijk als 22e over de streep. Er volgt een welgemeende FUCK. De wedstrijd was dan wel 300 meter te lang, ik heb me geamuseerd.

donderdag 12 augustus 2010

Simpele tactiek

Goed twee weken na mijn laatste wedstrijd in Wieze – die door de stijfheid in de benen en een slepende achterrem een kleine ramp was – ben ik vandaag wel klaar om het najaar aan te vangen. Beginnen doe ik in Buggenhout, om dan na een reeks van tien wedstrijden te eindigen midden september.

Het parcours is haast identiek als dat van enkele maanden geleden. Alleen de omstandigheden, een sterke wind, speelt in het nadeel. ‘Niet aan denken. Maak je klein en zet je achter een brede rug.’ Ik spreek mezelf moed in, maar bots weer tegen de verkeerde compagnon. “Er staat toch veel wind, hé”, knikt er eentje net voor de start.

Steun in de koers krijg ik van trainingsmaat Matt. Door omstandigheden is die pas aan zijn eerste wedstrijd van het seizoen toe en hoopt hij stiekem uit te rijden. Zijn ervaring in de koers is groter dan die van mij, en bij de start valt dat ook meteen op. Matt mengt zich, ik verstop me ergens in het midden.

De eerste ronde gaat het nooit onder de 55 kilometer per uur. Trappen is de boodschap, zo hard en zo lang mogelijk. Een tand kleiner voor de bocht, weer een tand groter na de bocht. Het wiel voor me geen meter prijs geven en zo min mogelijk wind vangen. De tactiek klinkt simpel, maar is het allerminst. De mannen met de brede ruggen zijn er volgens mij al vandoor.


Na goed drie van de in totaal negen ronden zakt het tempo. Drinken, wat energie opdoen, en weer vol door de bocht. Matt verliest ondertussen plaats na plaats en komt aan het einde voor me te zitten. Door de te hoge snelheid hoor ik op mijn vraag hoe het gaat amper een reactie. Een ronde later zit de wedstrijd er voor hem helaas ook op. Niet onlogisch met de weinige kilometers in de benen.

De rest van de wedstrijd verloopt, voor mij dan, meer dan goed. In de zesde ronde meng ik me voor het eerst door een gat te dichten, waarna ik weer mijn vaste plaats opzoek en de laatste ronde afwacht. Bij de voorlaatste passage aan de finish gaat de snelheid wederom de hoogte in en zorgt het nerveuze gedoe voor enkele slachtoffers.

Gelukkig blijf ik zelf bespaard van pech en profiteer ik – sorry, mannen – van de anderen hun miserie. In de laatste kilometer win ik nog eens tien posities en spurt ik mee voor een verre ereplaats. Ik haal nog een snelheid van 62 kilometer per uur en eindig uiteindelijk maar net buiten de prijzen op een 31e plaats.

woensdag 21 juli 2010

Geen lachertje

De benen zijn stijf. Lopen doet pijn, fietsen is haast onmogelijk. Misschien had ik er beter aan gedaan enkele looptrainingen in te lassen, want uit het niets deelnemen aan een duatlon zonder specifieke training is – geloof me – geen goed idee.

Lang moest ik niet nadenken om in te gaan op de uitnodiging van Tom. Kapelle-op-den-Bos ligt dan ook nog eens dicht bij de deur. Het lopen mag geen groot probleem vormen. Afgelopen winter ging ik geregeld eens een rondje doen in ’t bos. Goed zeven maanden geleden. Ja, zeven.

Er moeten vier ronden worden afgelegd van anderhalve kilometer, waarna er drie ronden van tien kilometer op de fiets op het programma staan. Afsluiten doen we met nog eens twee rondjes van anderhalve. Op zich een lachertje, die kwart duatlon. Het tegendeel is waar.

Om half vijf gaat het richting de start, waar ik op de tweede rij mijn plaats inneem. ‘Het is toch zes kilometer’, vraag ik ongerust nog eens aan Tom. De mannen op de eerste rij buigen door de knie en zijn klaar om te sprinten. En terwijl iedereen furieus van start gaat, verlies ik om de tien meter al een plaats.

Tom is de betere loper en neemt in de eerste ronde wat voorsprong. Maar naar het einde toe zit ook hij plots door zijn beste krachten heen. We zijn net zo goed, of net zo slecht. De tweede ronde gaat moeizaam, bij de derde is het aftellen begonnen. Uiteindelijk klok ik na iets minder dan 28 minuten af.

De wissel verloopt moeizaam. Het lijkt wel of ik nooit eerder op een fiets heb gezeten. Ik heb duidelijk last van de spieren, maar gun mezelf geen moment rust. Zoals afgesproken kiezen Tom en ik ieder ons tempo, waarna ik op zoek ga naar een nieuwe bondgenoot. En die heb ik vrijwel meteen te pakken.

‘Ga je mee’, roep ik naar een voor mij rijdende concurrent, die maar al te graag inpikt. Ik neem het merendeel van het werk voor mijn rekening en kies een klein verzet. Pas bij de passage aan de meet, waar we ondanks onze positie op veel aanmoedigingen kunnen rekenen, schakel ik over naar het buitenblad.

Het gaat van 35 naar 40 kilometer per uur en samen met Jean haal ik de ene na de andere deelnemer in. En net op het moment dat we de deelnemers voor ons bijhalen, volgt er een versnelling. Onze tactiek blijkt goed te werken. De deelnemers die we bijhalen doen zelden moeite aan te pikken.

In de laatste ronde is het vooral rijden op reserve. Ik laat m’n bondgenoot graag enkele honderden meters langer het kopwerk verrichten om bij het opdraaien aan de finish over te nemen. Net voor de streep moeten we van de fiets en is het lopen naar de wisselzone. Schoenen uit, schoenen aan.

De wissel gaat perfect en voor ik het weet ben ik weer aan het lopen. De benen voelen beter aan dan daarnet, maar een versnelling zit er helaas niet in. Toch blijft het publiek me aanmoedigen: de sfeer is fantastisch. Er zijn zelfs mensen die hun hand uitsteken met flesjes water. Het lijkt wel de Tour de France.

Bij de laatste passage aan de finish is het echt aftellen. Nog goed tien minuten. Het beste is eraf en ik verlies nog een plaats of drie, maar weet er ook een goed te maken. In het zicht van de aankomst pers ik er nog een spurtje uit dat echter niet veel meer voorstelt. Mijn tijd: 1u39.51.

‘Hoe is het met Tom’, roep ik daarna naar de ouders. Ik heb Tom al sinds de zesduizend meter niet meer gezien. Maar slechts enkele minuten na mijn finish is ook Tom daar. ‘Lastig’, zucht ook hij. De warmte speelde hem blijkbaar parten. En het feit dat hij er lang alleen voor stond bij het fietsen, legde hem geen windeieren.

Ik geef eerlijk toe dat ik er zelf meer had van verwacht. Ik heb de wissel van het lopen naar het fietsen geweldig onderschat. En het lopen zelf natuurlijk ook. Toch ben ik voor een eerste deelname – als ik geen rekening hou met de tijd van de winnaar – wel tevreden. Maar de volgende keer moet het zeker beter.

DE CIJFERS

LOPEN: 6 kilometer (0u27.52) 12.9 km/h
FIETSEN: 31 kilometer (0u55.39) 33.4 km/h
LOPEN: 3 kilometer (0u16.20) 11 km/h
TOTAAL: 40 kilometer (1u39.51) 24 km/h
UITSLAG: 54/76